Verhaal - De Schoolgrens

Une fois la frontière a été franchi,

il n’y a plus de limit.

DE GEBUNDELDE TOCHT

Dinjens Joris
4 mei 1960
wees

Esch, NBr. Fluitend stapte hij zijn bed uit. In een goed humeur en een verkreukt shirt zocht Joris nog vrolijk dronken van de nacht de weg naar beneden. De treden van de oude trap kraakten onder zijn ge­wicht. De bewo­ning van bijna honderd jaar, had zijn sporen achtergelaten in het oude pand wat zich krampachtig vasthield aan de vorige eeuw. Het huis stond dan wel niet op instorten, maar menig mens zou voor dit onderkomen zijn neus ophalen. Voor Joris was het zijn leven. Zijn groot­va­der, een alom gerespecteerd notaris, hij ruste in vrede, liet bijna een eeuw geleden het huis bouwen in een toen nog buiten­wijk. De buurt was inmiddels veranderd in een eenvoudige, maar overbe­volkte, volksbuurt. De monumentale woning van Joris was meege­groeid en veranderd van een statig naar een vooral eenzaam pand. Het huis stond met zijn gevel van vier ramen en een bovenvenster deurloos naar de Dommel, alsof het geen ingang had. De toegang leek verborgen. Wie binnen zat was veilig maar vooral onvindbaar.

Joris koesterde zijn huis als ware het zijn kind. In gedachten weliswaar, in daden door bijvoorbeeld wat onderhoud te plegen kwam nooit in hem op. De vochtplekken in de hoek, grenzend aan de zwarte marmeren schouw in de woonkamer, waren voor hem een schilderij. Geen haar op zijn hoofd die eraan dacht om er ook maar een likje verf aan te wagen. Hij snoof de geur van vroe­ger op om er vervolgens bijna hallucinerend van te genieten. Van de grote vochtige kelder tot aan het altijd lekkende dak. "Het ruikt naar het leven, naar de natuur. Dit is echt, zo zou het overal moeten ruiken", zei hij tegen zichzelf. Een uitspraak die hem goed uitkwam. Zijn motivatie om eens wat onderhoud te plegen liep synchroon met het benodigde gereed­schap en wat technisch vernuft; het was niet aanwezig. Joris was niet onhandig alleen interpreteerde zijn lichaam de signa­len die zijn hersenen uitzonden soms ver­keerd.

Zijn vader was neerlandicus, gepromoveerd op een klankverschuiving in een Brabants dialect en deze taalkundige autoriteit zou de intelligentie bij de mens van een juist ethisch kader voorzien. Hij had een groot ontzag voor mensen die een universitaire titel hadden. Had hij dat immers zelf ook niet gewild? Hij behandelde zijn ‘ongeschoolde’ zoon alsof die niet kon lezen en schrijven. Een jongen die volgens zijn ouders wel kón, maar niet wílde hij leren. Details daarvan kwamen het lijdend voorwerp nu bekend voor. Hij had een aversie tegen alles wat moest. Joris was blij het studentenleven gemist te hebben. Al op het voortgezet onderwijs vervloekte hij iedereen die hem dwong te werken, te doen, maar vooral te denken op hun manier. Zijn boeken, zijn huis en zijn stilte lieten hem vrij zijn eigen gedachten te gebruiken. Het wachten was een dagtaak geworden. Aan een baan was hij nooit toegekomen. Het huis was een erfstuk en met zijn zuinigheid en geringe levens­behoefte kon hij er eenvou­dig in leven. Sinds zijn eenzaamheid was het leven van Joris zonder pieken en dalen, geen grote vreugdes maar ook geen intens ver­driet. Zijn leven was niet het best denkbare leven, het was het best denkbare leven voor hem, doordat het niet anders kon zijn dan het was. Een op het oog uitge­sproken vlak leven, ware het niet, dat hij leed aan een vreemd onbestemd gevoel. Het was iets vaags wat als een regenbui voorbij schoof en waaron­der hij zich hulpeloos en zwak in de wereld voelde staan. Hoewel hij niets te klagen had (er schoot hem niets vervelends te binnen) over­heerste toch dat onbestem­de gevoel dat in andere tijden welts­chmerz heette. Het gaf hem een patstelling. Zoals sommige mensen een kletsmajoor nodig hebben om hun leven inhoud te geven, zo leefde Joris naar zijn onbehagen. Het gaf geen reden om dingen te gaan verande­ren of een ande­re weg in­ te slaan. Hij had er ook nauwe­lijks tijd voor, want zijn levens­taak bestond uit lezen. In een oorspron­kelij­ke slaapka­mer op de eerste verdie­ping had zijn vader vele jaren geleden een immense stapel boeken ach­tergela­ten. Een grauwe ruimte, behangen met nicotine, waar de gordijnen waren gesloten. Niets leek op alledag, tijd speelde geen rol. Het was de roef van een schip, maar wel een schip dat tegen de stroom op voer, naar het verleden. De tijd had er niet stilgestaan, maar was er heel langzaam, als in een plechtstatige processie, doorheen getrokken. In een te moder­ne lijst hing een oud portret van zijn grootvader die met priemende ogen nog altijd aanwezig was. Op de vloerbedekking lagen talrijke papiertjes met daarop de meest vreemde aantekeningen, verzameld rond zijn stoel. Een verse blocnote met daarnaast een pen in de aanslag. Een hoek was vrijge­laten voor een sche­merlamp, verder was de ruimte vanaf de vloer tot aan het plafond voor­zien van schap­pen en afgeladen met boeken. Een hoeveel­heid leesvoer met een grote verschei­denheid aan genres. Het inte­resseerde hem niet. Joris had zich voorge­nomen om gewoon alles te gaan lezen, en was destijds dan ook niet begonnen met een aanspre­kende titel of auteur, maar sim­pelweg met het eerste boek linksboven van de plank. In de vijf jaar dat hij hier alleen verbleef had hij zeker duizend boeken verslon­den. Een groot aantal daarvan maakte weinig indruk op hem, verhalen en personen verdwenen bij het dicht­slaan weer defini­tief in het boek. Andere werken spookten maandenlang door zijn hoofd. Het laat­ste werk wat hij had gelezen; ‘de nazaten van Tinus’ een verhaal over een rebellerende boer uit een Brabants dorp, had zich genesteld in zijn grijze cellen om vervolgens weer op dezelfde plaats op de plank te belan­den.

Joris deed een poging de slaap uit zijn gezicht te wassen. Met zijn handen gevouwen tot een kommetje ving hij het koude water uit de kraan, wat hem telkens weer ontsnapte. Het begin van een sombere dag. Onbewust trok hij gekke bekken naar zijn spiegel­beeld. Hij keek naar een gezicht dat hem nauwelijks bekend voor kwam. Hij zag een flink litteken onder een donzig snorretje, waarvan hij ooit dacht dat het kwam door een onge­lukje bij een kermisattractie. “Je botste keihard met je mond op het stuur van zo’n autootje” had zijn moeder hem gezegd toen hij vroeg naar het ontstaan. Pas veel later zou hij horen dat het een matig ver­holpen hazenlip was. Het gaf hem wat myste­rieus vond hij, net als een filmster. Hij haalde zijn hand door zijn haar. Een goed verzorgde haardos, zijn kop met bruine krul­len was om een onduidelijke reden bijzonder waarde­vol voor hem. De kapper was dan ook het enige uitje wat hij zich permitteerde. Tege­lijk was dat bezoekje aan de plaatselijke 'hair­studio' ook de enige gelegen­heid waarbij zich het fenomeen 'seksualiteit' aan hem openbaar­de. Als er vreemde handen aan zijn haar zaten, (onge­acht van een man of vrouw, hij zat met zijn ogen dicht te voelen) maakte zich een weeïg gevoel van hem meester. Een verwarrende geilheid, die als een lage herfstzon op hem in stond te branden en waarbij geen ontsnap­ping mogelijk was. Als bij een bordeel bezoek stond hij ver­volgens zijn gênantheid af te rekenen. Traag als in een soort harnas van schaamte sleepte hij zich dan weer de straat op.

Deze ochtend trok het volgende boek niet meer zijn aandacht dan de rest. Hij wist inmiddels dat intrigerende titels vaak een verhaal verborgen dat haaks stond op de insi­nuerende belofte. Hij blies wat stof van de kaft en las: ‘De gebundelde tocht’. Joris liet zich zakken in een oude rook­stoel en zocht naar een fles binnen handbereik. De drank was geen luxe, maar noodzaak. Zoals zijn drang om vrouwen te vermijden geen noodzaak maar luxe was. Betutteling en vleselijke contacten deden hem denken aan middeleeuwse martelpraktijken waar tergend langzaam de dood op volgde. Hij deed hem goed dat hij voor alles een excuus had. Zijn drank­zucht was genetisch bepaald. Generaties lang waren er in zijn familie ontelbare vaten met alcoholhoudende drank verzwolgen. Hij schonk een scheut jonge jenever in een bierglas, strek­te zijn benen en sloeg het boek open. Hij begon te lezen en de tijd stroomde weg, als water in een gootsteenputje en over bleef de beschreven tijd die weer tot leven kwam. Een isolement met een mogelijk verzonnen verleden. De werkelijkheid was haar vanzelfsprekendheid weer aan het verliezen. Enkele uren later deed een rommelende maag hem beseffen dat hij gewoon in zijn eigen huis was. Hij schrok ervan. Nog nooit had een verhaal hem zo meege­sleept. Hij voelde zich plotseling onzeker, wat was dit voor een boek? Hij sloeg het dicht en las de titel nog een keer: ‘De gebundelde tocht’. Joris kreeg het koud, terwijl het hartje zomer was en buiten temperaturen heersten van boven de dertig graden. Buiten zag hij twee jongens in korte broek voorbij lopen. De kou kwam van binnen uit, het leek of zijn botten plotseling ver­kleumden. Het boek leek zijn eigen leven te beschrijven. Nam iemand hem in de maling, was het toch toeval of misschien dat vreemde déjà-vu gevoel waar hij wel vaker last van had. Hij stond op en beende naar de keuken. Wat voedsel zou hem onge­twijfeld hel­derder doen denken. Van wat brood en kaas probeer­de hij tever­geefs iets eetbaars te maken. Als een vreemde keek hij door zijn huis. Deze beelden, alles wat hij zag, had hij net gelezen in een oud boek. Die klemmen­de tuin­deuren, het glas in lood van de deur naar de hal en de kitscherige, gipsen sier­lijsten aan het plafond. Zelfs de immense scheur in de gevel­muur aan de achterzijde, een herin­nering aan een zwaar bombar­dement in 1942, was exact beschre­ven in het boek. Joris huiverde, hij sloeg de colofon erop na en las: Gies van Miesse, 1958, schrijver, moralist, hedonist. Wie was die schrij­ver en wat wist hij van hem en zijn huis? Zijn woning, zijn angsten en vooral zijn stiekeme verlangens. Iemand leek een spiegel in zijn geest te hebben gehouden. Niemand kende deze verha­len. Joris had geen vrienden, geen familie en nauwe­lijks contact met de buurt die hem een zonder­ling vond.

Toen hij opschrok uit zijn boek, geroepen door zijn maag, meende hij dat er op zijn voordeur werd geklopt. Joris opende het raam en boog zich naar buiten. Er stond niemand en dat maakte alles nog onduidelijker. Zijn hart klopte in zijn keel. Hij had nauwelijks een derde deel van het boek gelezen, de rest van het verhaal zou dus gaan over zijn toekomst. Er kwamen meer vragen bij hem boven dan hij kon verwerken. Kramp­achtig probeerde hij zich iets van zijn toekomst te herinne­ren. Had hij het boek wel nodig en zo ja, moest hij dan nu een keuze maken. Was er überhaupt een keuze mogelijk in het leven? Wat moest hij doen, het boek verscheuren, verbranden misschien en al het gelezene zo snel mogelijk vergeten, of toch proberen te lezen. De twijfel, de keuze tussen nieuwsgierig­heid en angst werd hem even te groot. Een flinke slok van zijn jenever bracht hem weer bij zijn posi­tieven. Hij had natuur­lijk geen keuze, hij moest alle boeken lezen. Het was een belofte aan zichzelf weliswaar, maar ook die mag je niet ver­bre­ken. Hij zou natuurlijk ook dag voor dag kunnen lezen. Elke dag een stukje toekomst. Joris straal­de weer, natuurlijk dat was het. Eenvoudig, een ander boek erbij nemen en van dit boek gewoon elke dag een stukje lezen. Gerustgesteld sloeg hij het boek weer open.

Nog voor hij een woord had gelezen, werd er hard op zijn voordeur geklopt. Nu was er geen twijfel mogelijk. De toevalligheden beginnen mij zo langzamer­hand op te breken, dacht hij. Kreunend hees hij zich op uit zijn stoel, slofte de trap af n­aar beneden en maakte de gang naar de voordeur. Geïrriteerd, maar ook nieuwsgierig, deed hij de zware deur van slot. Voor hem stond een jonge vrouw, lang, slank met lange zwarte haren. Joris schrok toen hij zag dat ze een bloedende hoofd­wond had. 'Mag ik even binnen komen?' Ze wachtte zijn antwoord niet af en liep langs hem heen de trap op. Kan dit, dacht Joris hardop, of zijn er ook nog toevalligheden tussendoor om me op de proef te stellen, alsof het leven zo al niet vreemd genoeg is. "Wat bazel je toch allemaal jongen', riep de vrouw terwijl ze, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, een slok nam van zijn jenever en onder­uitge­zakt hing in zijn stoel. Alsof hij niets gehoord had ging hij op zoek naar iets om haar wond te verbin­den. Joris was niet het type dat pleisters en nood­verbanden verzamelde om een mogelijk ongeluk in de kiem te smoren. Een EHBO kastje was dan ook niet aanwe­zig. Onhandig en ietwat verlegen schoof hij een natte thee­doek in haar richting waar­mee ze probeerde het bloed van haar gezicht te wassen om hem vervolgens als een soort tooi om haar hoofd te knopen. Met de felge­kleur­de doek en het donkere ingevallen gezicht deed ze hem denken aan een apache vrouw. 'Was die Winnetoe eigenlijk getrouwd' dacht hij ineens. Gek word ik van al die invallen. Wat moet ik daarmee? Eerder werden invallen regelmatig uitval­len. Dwangmatig had Joris zichzelf geleerd om zich te beheer­sen. Nu voelde hij weer wat hij zichzelf geleerd had. En weer kwam het hem slecht uit. Liever had hij zich weer eens ouderwets laten gaan. De indianengevoelens die hij kreeg bij het aanschouwen van deze vrouw, voerden hem terug in de tijd. Hij rook weer de geur van het oude kippenhok. Hij zag zichzelf met pijl en boog achter zijn eigen huis doorsluipen. Hij was nog geen vijf jaar oud. Gevonden kippen- en fazantenveren tooiden zijn hoofd. Hij was permanent op zoek naar gewillige slachtoffers. Nooit, realiseerde hij zich nu had hij raak geschoten. Nooit, dacht hij nu had de boog gespannen gestaan, terwijl hij pre­cies wist hoe dat voelde. Of was hij verslapt en had hij nooit op het juiste moment geschoten. De vrouw keek hem triomfante­lijk aan alsof ze wist waaraan hij dacht. Het indianengevoel zakte uit zijn lijf als chipolatapudding uit zijn strakke verpakking. Leeg als een oude boog met de bespan­ning vanuit een oude onderbroek, bekeek hij zijn pijl. "Wat zeg je", vroeg hij ontwakend uit zijn absence. "Ik vroeg niets", antwoordde ze licht geïrriteerd. "Jammer, heel jammer", dacht hij. Maar hij zei het niet. Hij ging koffie zetten.

“Je bent een raar mannetje”, zei ze toen hij wat later me de koffie kwam binnen geschuifeld. Hij trok een gezicht van 'hoe­zo', wat voor haar een teken leek om door te gaan met haar verhaal. “Weet je eigenlijk wel wat de hele buurt hier van je denkt, met je stiekeme gedoe. Het verbaasd me dat je koffie hebt, ik hoorde dat je zou leven van jenever, dat is het enigste wat ze je zien kopen.” Nou ik brand de koffie anders niet zelf baste Joris, die in gedachten alweer zijn boog spande. Wat was dat met de mensheid dat het niet genoeg had aan zichzelf maar dat altijd de last van het 'wat doen zij' moet worden meegesleept. Hij pijnigde zijn hersenen om te zoeken of hij dat zelf ook deed. Had hij zich wel eens druk gemaakt om wat de mensen in zijn omgeving deden? Tot zijn tevredenheid schoot hem geen voorbeeld te bin­nen. “Suiker en melk?” , Zijn vraag was bedoeld als het antwoord op al haar vragen en ze leek het te begrijpen. 'Dan niet' zei ze, jaknik­kend om haar koffie op smaak te krijgen.

Dood. Als er meer vragen kwamen dan antwoorden, zakte Joris bijna automatisch weg in een soort matheid waarover nauwelijks controle mogelijk was. Een moment waarbij alle ander momenten beter waren.

Sinds de dag dat hij aan het sterfbed van zijn vader had gezeten en moest aanzien hoe de dood de belangrijkste man in zijn leven bij hem weg sleepte, had de dood een gezicht gekre­gen. Zijn angst voor het sterven was in die luttele minuten voorgoed bij hem verdwenen. Het leven was slechts een wachtka­mer geworden voor de reis naar de enige man waar hij vertrou­wen in had gehad. Soms lieten zijn gedachten hem maandenlang met rust om hen vervolgens dan weer wekenlang te achtervolgen. Dit was weer zo'n moment waarbij hij wilde dat het over was, dat alles stopte. Geen pijn, geen afscheid, gewoon niets. Geen seconde had hij een zelfmoordpoging overwo­gen, er was nooit een reden geweest om onmiddellijk te stoppen, maar er was ook geen reden om het nodeloos te rekken. Het dwangmatig denken was niet erg schokkend voor Joris. De echte morgen wilde zich zijn hele leven al aan hem voorstel­len, iets in hem zocht teveel naar het vervolg van dit alles. Bij de geringste tegen­slag vroeg hij zich af hoelang dit nog moest duren, iets wat hem bij een gelukkig moment trouwens ook overkwam. Het gemis aan tevredenheid, te vaak dacht hij; 'is dit alles, sleep ik me voor dit beklemmende gevoel naar de morgen?' Joris had voor zichzelf een theorie bedacht waarop hij altijd kon terugvallen en die hem heel redelijk voorkwam. 'Het geluk is eerlijk verdeeld'. Het 'geluk zit in jezelf' wat hij eens had gelezen op een wandtegeltje, kon Joris maar gedeeltelijk beamen. Soms stapte hij uit bed met een goed gevoel en soms met een naar gevoel. Soms voelde hij zich gelukkig door een zonne­straal die ineens haar warmte om hem heen sloeg. Soms was een vrolijk deuntje uit een radio genoeg om hem een gelukza­lig gevoel te geven. Nee, er was meer dan alleen het geluk uit jezelf. Iets deelde zo af en toe wat geluk uit. Geluk kon je niet afdwingen. Wachten, alleen maar wach­ten.

Het geratel van het roeren in haar koffie kwam bij hem door als het geluid van een luchthamer, een machine die werd ge­bruikt bij het vernieuwen van een aangrenzend weggetje en wat nog maanden door zijn hoofd bleef galmen. Op het moment dat hij zijn mond open deed en wilde schreeuwen om daar mee op te houden, zag hij onder de theedoek een straal bloed sijpelen. Duizelig zakte hij in een stoel.

Een familieschommel op hoge snelheid. Het jaarlijkse uitje bestond uit een bezoek aan de dichtstbijzijnde speeltuin. Ergens in de schoolvakantie, als moeder vader al wekenlang verwijten had gemaakt over zijn desinteresse in zijn kind, werd een dag geprikt, waarop het uiteindelijk altijd regende, om het uitje te maken. In de witte volkswagen kever ging het dan gedrieen naar de Beugtse Barrier, een café met aangrenzend een veldje met een huizenhoge glijbaan, schommels, allerlei rare draaiat­tributen maar vooral de familieschommel. Joris wist nu nog steeds niet wie dat toen eigenlijk leuk vond. Zijn vader zette hem op een ijzeren stoeltje, beklom tegenover hem zo'n zelfde zitting en dreef het toestel vervolgens op tot een snelheid waarbij zijn maag klem kwam te zitten in buurt van zijn adams­appel. Doodziek maar vastberaden om het niet te laten merken voltooide hij het feest. Intussen riep moeder vanaf de zij­kant om een glimlach om het familie-uitje te kun­nen vereeuwi­gen. De foto hing nog altijd in de keuken, dezelf­de misse­lijkheid had hij nu weer. Frisse lucht. Terwijl hij opstond om een raam open te zetten zag hij dat ze verdwenen was.

De bebloede doek lag naast het nog halfvolle kopje. Als een soort bewijs, dacht Joris, een bewijs dat het echt gebeurd is. Zijn boek lag open. Terwijl hij had zitten bladeren in zijn jeugd, had zij zitten lezen in 'het' boek en was misschien haar­zelf tegengekomen en had dus ook een stuk van haar toe­komst gezien. Hij voelde zijn gedachten splijten alsof de bliksem bij hem had ingeslagen. De tweestrijd in zijn hoofd vierde hoogtij. Op de automatische piloot begint hij met oude kranten de open haard aan te stoken. Zijn zwaar gehijg is voor de rook een goede reden om zijn longen als schoorsteen te gebruiken. Zwaar hoestend doet hij een stap terug. Met nog een stap terug pakt hij het boek en gooit het in het vuur dat zich gretig ontfermt over zijn toekomst. Joris verbaast zich over het genot wat hem bekruipt. Als een notaris die net de trans­actie van zijn leven heeft gesloten, blaast hij fraaie kringe­tjes in de lucht met de rook van zijn sigaar. Hij voelt zich zo goed dat hij zich zorgen maakt over zijn psychische ge­steld­heid. Terwijl het boek, samen met hout en de oude kranten terug gaan naar het niets, en de tropische zomer samen met het haardvuur de hitte binnen ondraaglijk maken, zit Joris te glunderen als het kind van voor de familieschommel.

De ondraaglijke twijfel. Nog voor hij het genot heeft verwerkt wordt Joris alweer overvallen door de onzekerheid. Het kos­tuum van de twijfel zit hem als gego­ten. Op de een of andere manier had hij het zich eigen ge­maakt. Ondraaglijk, onomkeer­baar en waar­schijnlijk ook onmis­baar. Toen Joris een geleerde hoorde zeggen dat twijfel de hoogste vorm van intelligentie was, had hij een warm gevoel over zich gekregen. Wonderlijk hoe een kille radiostem zijn leven binnen kon komen wandelen om zich daar jarenlang te nestelen.

Aan het Overmazenpad stond één school. Althans zo leek het. De J.F.Kennedy-school en de Albert Sweitzer-school waren als een Siamese tweeling met elkaar verbonden, met de ruggen aan elkaar gegroeid. Na een fusie was een directie de scepter gaan zwaaien, die een bizarre manier had bedacht om op beide scholen een evenwichtig aantal leerlingen te krijgen. Familievetes werden er geboren en opgedrongen. Neven en nichten, buren en vrienden bevochten elkaar voor de eer van hun school. Geen kind verliet onbeschadigd het lager onderwijs in Weert-Zuid.

Joris was zes jaar toen de wereldse onzekerheid zich voor het eerst in alle hevigheid aan hem openbaarde. Zijn moeder bracht hem naar school op een druile­rige maandagmorgen. De naderende schooltijd zou ongetwijfeld een indringende en eenzame periode worden. Bij het beeld van een grote groep kinderen kwam bij hem slechts een intens eenzaam gevoel boven drijven. Het zou vandaag niet anders zijn. De eerste dag van september had meteen de toon gezet voor een herfst in al zijn treurigheid. Zowel de mensen die ze voorbij reden als die hen tegemoet kwamen, waren in een mistige regen gehuld en leken een zware wind tegen te hebben. De glans van de zomer was met het begin van de eerste schooldag definitief verdwenen. Met zijn handen aan de leuningen van de voorstoelen, hees Joris zich op van de achterbank en wrong zich naast zijn moeder. Met zijn hoofd tegen haar schouder tuurde hij door de licht aangeslagen ruit naar de horizon. Links en rechts schoten oude huizen uit een volksbuurt aan hen voorbij. De ruitenwissers zwiepten het nat traag naar beneden. In de oude volkswagen kever rook het nog zo vertrouwd, alsof er niets aan de hand was, of hem niets kon gebeuren. Het monotone gegons van de motor maakte hem wat rustiger. Al wekenlang was hij voorbereid op wat komen zou, langzaam werd zo educatief mogelijk toegewerkt, naar de dag dat hij een grote jongen zou zijn. Het voorbije weekend hadden zijn ouders nog eens ge­bruikt om de laatste zaken met hem door te spreken en voor zover nodig, en het was nodig, op hem in te praten. Dat het, behalve noodzakelijk, ook heel erg leuk zou zijn op school. Hij zou leuke dingen gaan doen, allerlei interessante zaken leren en veel nieuwe vriendjes gaan maken. 'Veel nieuwe vriendjes' hij gruwde er van. Joris had één jongetje waar hij wel eens mee speelde, Bart, het zoontje van de slager bij hem op de hoek. Op de dinsdag als de winkel gesloten was, speelden ze vaak verstoppertje in de immense koelcellen. Meterslange wit betegelde wanden waar grote hompen vlees verslagen hingen, bungelend aan blinkende haken. Hij vond het prettig om afwisselend blij, bang, alleen, maar vooral samen te zijn. In de koude ruimte waar Bart elk hoekje wist, vertelden ze elkaar geheimzinnige nooit gebeurde verhalen. Uit de vuistgrote stempels die het vlees blauw-paars hadden gekleurd, gemerkt en goedgekeurd, ontwaarden ze geheimzinnige boodschappen en aanwijzingen. In hun adem, die zich door de vrieskou rokend een weg zocht, zagen ze spoken en geesten die spontaan een hoofdrol opeisten in hun gedeelde gedachten. Alleen bij Bart had Joris een beetje het thuisgevoel, met hem leek de wereld enigszins draaglijk.

Toen de volkswagen piepend afremde, met de klaar-overs in zicht, kwam het onheilspellende gebouw dreigend dichterbij. Het straalde een diepe koude uit die hij onmiddellijk herkende van de slager. Zijn moeder parkeerde recht tegenover de ingang. ‘School’ stond er geheel ten overvloede, in grote roestige letters, in een boog boven de poort. Weggedoken in zijn warme houtje-touwtjesjas stapte hij rillend uit de auto. Even stopte hij nog, staand op de brede treeplank, die als een soort afstapje onder de deur uitstak. Door het raam van het open portier heen turend zag hij uit een zijstraat, tot zijn opluchting, Bart aan komen lopen. Zijn vriend liep hand in hand met zijn moeder die haar aandacht had verdeeld tussen de jongen en haar fiets die ze met zich meetrok terwijl de pedalen, als door onzichtbare voeten aangedreven, in de rondte draaiden. Even bekroop joris het behaaglijke gevoel dat het optimistische verhaal van zijn ouders wel eens waar zou kunnen zijn. Achter de poort bleek, na een klein gangpad, een grote grijze betonnen vlakte schuil te gaan. “De speelplaats” zei moeder vrolijk, in een vergeefse poging wat opbeurends tegen hem te zeggen.

Een onheilspellend geraas wat achter hen aanzwol deed de nieuwbakken scholieren en hun ouders verschrikt opzij springen. Een vaal rode, met modder besmeurde daf kwam slingerend het schoolplein op geracet. Een oude vrouw met een woeste blik in de ogen leek alle mogelijk moeite te doen om het voertuig in bedwang te houden. Bijtend op een sigaar toeterde ze tegen een groepje kinderen wat niet snel genoeg plaats maakte. Schokkend naderde het vehikel de ingang van de school en even leek het erop de ze zo het gebouw zou binnen rijden. Net op tijd stopte ze, de auto wiegde nog even na, alsof dat de rust zou kunnen herstellen. Joris kroop nog dieper in zijn jas en stak een hand in de jaszak van zijn moeder die even haar enthousiasme leek vergeten. De bejaarde chauffeuse had zich inmiddels hoestend uit de auto geworsteld en zich, met de sigaar nog in haar mond, aan hun moeders voorgesteld; “Ik ben mevrouw Dekkers, de directrice van deze fijne school, een uitstekende keuze voor uw zoon.” De kinderen werden met een grijns begroet. Haar grijs-gele tanden leken te schrikken van het daglicht en trokken de lippen meteen weer in een verbeten grimas. De ogen leken, door de jampot glazen van haar bril, op de hebzuchtige kijkers van een ekster. Met een zwarte varkenslederen boekentas stevig onder haar arm geklemd beende ze haastig de school binnen. Enkele tellen later gaf een soort scheepstoeter, die provisorisch aan de buitengevel was bevestigd, het sein dat het feest kon beginnen. Toen hun beide moeders, na lang zwaaien, eindelijk het schoolplein afliepen, stonden de twee jongens dicht tegen elkaar te wachten op wat komen ging. Binnen ging de directrice voor twee jongere collega’s staan, die zich angstig achter haar rug leken schuil te houden. Ze schoof haar bril wat lager op haar neus waardoor ineens een paar reuze ogen te voorschijn kwam. Het leek slechts een poging om de kinderen nog meer angst in te boezemen, want haar manier van kijken maakte duidelijk dat ze slechts wat schimmen in het lokaal kon ontwaren. Haar grommende toon leek op een naderende strafexpeditie. Na de schokkende kennismaking met de vrouw, die vertelde wat hun de komende jaren te wachten stond, moesten ze om beurten gaan staan en 'luid en duidelijk' hun voor en achternaam zeggen. Op twee verschillen­de briefjes maakte de ze daarbij driftig aantekeningen. Met een piepend krijtje begon ze vervolgens het schoolplein op het bord te teke­nen. Joris had buiten al gezien dat het plein in tweeën was gedeeld door een dikke witte kalkstreep. “Jongens”, riep ze schor, “We maken er hier geen zooitje van, het eerste wat ik jullie op deze school ga leren is orde. Zowel binnen als buiten heeft iedereen zijn plaats, hier gaat geluisterd worden en vooral; hier ben ik de baas.” Een jongen die lachend aan zijn buurman een handvol knikkers liet zien werd met een draai om zijn oren meteen openlijk terechtgesteld. “De namen die ik nu ga opnoemen”, ging ze stoïcijns verder, “gaan bij elkaar zitten en spelen voortaan op dit stuk van het plein.” Daarbij tikte ze zo hard op het door haar bedoelde vak dat het krijtje luid knakkend in stukken brak en onder haar tafel rolde. De jongens met de achternamen A t/m M werden vervolgens genoteerd op het linkervlak. N t/m Z kreeg de rest. Bart heette met zijn achternaam Roefs. De directrice moest tot drie keer toe tegen Joris zeggen dat hij naar een andere klas moest. Heel in de verte hoorde hij traag haar stem, hoe ze haar bevel herhaalde en steeds luider uitsprak. Langzaam drong het tot hem door. De zon scheen gelig over de kleine tafeltjes, maar voor Joris was de klas gehuld in een volledige schaduw. Het prille licht was gedoofd. De twijfel vrat zich bij hem binnen. De met een klap dicht geslagen deur zorgde voor de definitieve scheiding.

Binnen was de situatie nog te harden geweest, buiten was het regime onverbiddelijk. Smokkelen was onmogelijk. Nog maandenlang hadden de jongens van een afstand, ieder op hun eigen toebedeelde helft naar elkaar staan te kijken. Onderwijzers liepen langs de lijn als kampwachters om het gebied te beschermen. Alles hing af van de wet van anderen. Vanaf die tijd had de onzekerheid zich voorgoed diep in hem geworteld.

Joris hield de bebloede doek voor het raam om met het zon­licht de figuren te bekijken die het bloed gemaakt had. De vlek leek zowaar op een hand vond hij. Een graaiende hand met lange dunne vingers. Dezelfde slanke vingers waren hem bij het meisje al opgevallen. Hoewel hij het zelf een luguber idee vond, rook hij aan de doek. Tot zijn teleurstelling drong er geen bekende geur zijn neus binnen. Reukloos en spoorloos dacht Joris, terwijl hij de doek vouwde en opborg. Misschien is het voor een latere, mogelijk nood­zakelij­ke, behandeling bij een psychiater, van belang dat ik als een soort bewijs die doek nog eens kan laten zien. Joris probeerde zijn dagelijkse ritueel weer in gang te zetten. Hij griste het boek dat aan de beurt was van het schap, nam een slok jenever en liet zich zakken in zijn stoel. IJverig zonden zijn hersenen allerlei signalen uit om gewoontegetrouw het boek te openen en te beginnen met lezen. De handen van Joris reageerde echter nergens op. Krampachtig hield hij het boek van zich af alsof het elk moment kon ontploffen.

Zij. Het was de eerste vrouw in zijn leven waarvan een beeld was blijven hangen. Het leek alsof een foto van haar op ware grootte tussen zijn hersenen was geplaatst. Elk trekje van haar gezicht zag hij haarscherp voor hem. Hij meende zelfs haar schampere lachje weer door de kamer te horen gaan. Ze was bruut midden in zijn leven gaan staan, ze was gaan zitten in zijn stoel, dronk van zijn jenever en las in zijn boek. Met een schok schoot Joris overeind. Mijn boek, mijn toekomst, dan moet zij er ook instaan, dan weet ze wat er met mij en mis­schien wel met haar gebeurt. Er loopt ergens iemand rond die mijn morgen kent! Zijn gebundelde toekomst verhaal ging inmid­dels in rook op. Sommige zinnen waren nog leesbaar op de stukjes as in het vuur. Het woordje 'hartstocht' gloeide op naast een smeu­lend stuk eiken hout. Op zijn knieën voor het haardvuur probeerde hij nog een glimp van zijn leven op te vangen. Net toen Joris met een pook nog wat leek te redden slokte de schoorsteen de laatste restjes op. Flinters van stukjes as en papier stoven als door de duivel achterna geze­ten de bui­tenwereld in. De Wereld, heel de wereld dacht Joris, heeft nu de kans om stukken van mijn morgen te lezen, heel de wereld, behalve ikzelf. Net nu er iets leek te gebeuren kan ik weer helemaal opnieuw beginnen.

Joris was niet het populairste jongetje van de klas. Bepaald niet zelfs. Met zijn ziekenfondsbrilletje en de slobberbroeken die zijn vader steevast een paar maten te groot voor hem kocht, was hij het aangewezen typetje om lekker te pesten. Hoewel het maar een klein groepje was wat hem dagelijks moles­teerde, had hij toch het gevoel dat de hele school een hekel aan hem had. Het was niet zo dat ze hem negeerden, ze zagen hem gewoon niet. Elke poging tot integratie mislukte dan ook bij voorbaat. Elke knikker moest hij al inleveren voor hij er mee ge­speeld had, maar vooral de dagelijkse douche, als iemand hem weer 'per ongeluk' in de aan de school grenzende sloot had geduwd, braken hem elke dag een beetje meer. Eenzaam wachtte Joris op betere tijden. Op een dag loofde de KLM als een reclamestunt voor alle basisscholen een prijs uit. Wie de mooiste tekening zou maken kon een reis winnen. Opgewonden kwam het schoolhoofd gewichtig vertellen dat ‘zijn’ school ook mee moest doen en hem vooral niet teleur mocht stellen. Per slot van rekening had hij niet voor niets zoveel tijd en energie in de creativiteit van ‘zijn’ kinderen gestoken. De eeuwige roem lag voor de kleine dorpsschool én het hoofd in het verschiet. Hij zag zich al gefotografeerd met de winnaar in een landelijk dagblad en droomde al van een vanzelfsprekend daarbij behorende promotie. Grotere scholen in de regio zouden zoveel succes ongetwijfeld opmerken en alles uit de kast halen om het zo gevierde hoofd naar hun school te halen. Met rode konen van enthousiasme probeerde hij toch nog statig de klas uit te lopen.

Voor Joris was het de dag van de waarheid. Hij voelde het bloed door zijn aderen suizen. Daar lag zijn kans, eindelijk, eindelijk, kon hij laten zien wat hij werkelijk in zijn mars had. Met de tong tussen de tanden had de kleine Joris al zijn creativiteit uit zichzelf geperst. Urenlang met uiterste precisie had hij de kleuren op het vel verdeeld. De mooiste kleuren fraai afstekend bij het zwarte kader. Langzaam onstond een blinkende vogel boven een slapende stad. Hij was warempel trots op zich­zelf. Toen iedereen zijn kunstwerk had ingeleverd volgde een ingewikkelde, gewichtige maar vooral spannende verkiezing. Alle kinderen uit zijn klas mochten punten geven voor de in hun ogen mooiste tekening. Uiteinde­lijk bleken twee tekeningen uit zijn groep een gelijk aantal punten te hebben en moest er worden gestemd welke zou worden inge­zonden. De laatste en be­slissende stem moest ook nog worden gegeven door Joyce, een wonderschoon meisje met lang, zwart sluik haar, die hem jarenlang volkomen genegeerd had, alsof hij lucht was. Soms liep ze tegen hem aan, niet om hem te pesten of pijn te doen, maar omdat ze hem niet zag. Het was niet wederzijds. Vele stiekeme uurtjes had hij naar haar staan kijken als ze met vriendinnetjes een soort hink-stapsprong spelletje met een lang elastiek opvoerde. Het soepel als een dans uitgevoerd spel, ontroerde hem bijna. De schoonheid van haar en haar bewegingen stalen al zijn gedachten. Het hele schoolplein was ineengekrompen tot het beeld van haar. Het enigste geluid wat hij hoorde kwam van haar voeten die wisselend de betonnen tegels raakten. De bel die het begin van de schooltijd inluidde bracht hem weer bij zinnen. En zij, juist zij moest nu het vonnis gaan vellen. Ze koos voor de tekening van Joris omdat ze die zo'n frisse kleuren vond hebben. Met haar grote bruine ogen keek ze lachend naar de winnaar en stak vrolijk haar duim naar hem op. Het duizelde hem.

Het hoofd van de school, die door de kinderen stiekem en om onduidelijke reden 'Spoetnik ' werd genoemd, kwam zonder klop­pen en met open mond als in hevige ademnood de klas binnen lopen. Zijn hand zo hoog mogelijk in de lucht met daarin een brief alsof hij op de vlucht was en elk moment een belager hem het papier zou kunnen ontfutselen. De uitslag van de tekenwedstrijd. De luchtvaartmaat­schappij liet weten dat de tekening definitief in de prijzen viel. Joris won een vlieg­reis naar Parijs. Met beide handen in de lucht gaf de leerkracht aan dat het de hoogste tijd was voor een flink applaus. Het ‘hiep-hiep-hoera’ werd ingezet. Joris voelde zich kleiner dan ooit. Het gelauwerde gevoel wat hij voorspelt had bleek een averechtse uitwerking te hebben. Ook ‘de spoetnik’ moest zich hervinden. Niemand, zelfs niet het door niemand gelezen regionale weekblaadje, had gereageerd op zijn inderhaast gestuurde persbericht over het succes van zijn school.

De ogen van zijn moeder spraken duidelijke taal. Met gebogen hoofd aanhoorde ze de gewonnen prijs van haar zoon. Haar vader gebruikte andere taal. Ferme woorden met zo’n kracht uitgesproken dat elke gedachte voor een tegenwoord in de kiem werd gesmoord. Het was bijzonder goed voor de ontwikkeling van zijn zoon en hij was in uitstekende handen bij de begeleiding van de luchtvaartmaatschappij. Hoewel vader veel liever een talenknobbel had bespeurd bij zijn spruit vond hij dit blijkbaar toch een eerste succesje. Toen het blauw-witte busje bij hem thuis voor de deur stopte, had hij al twee uur door het raam de straat uit gekeken. De nacht was zonder een minuut slaap aan hem voorbij getrokken. Een zwaar opgemaakte stewardess begroette hem uiterst vriendelijk wat hem meteen wantrouwig maakte. Vader nam haar even mee naar de keuken waar hij hen, na wat gefluister, hard hoorde lachen. Zijn moeder stopte hem nog een appel toe, kuste hem en verdween naar een andere kamer. Joris veegde haar warme tranen met zijn mouw van zijn gezicht. Toen het busje zich in beweging had gezet, zag hij hoe moeder hem nastaarde door het keukenraampje, als betrapt trok ze haar hoofd weg. De reis kon beginnen. Eenmaal samen met de andere winnaars, twee uitbundige meisjes die al meteen vriendschap met elkaar hadden gesloten, was de eenzaamheid weer van start gegaan. De stewardess kweet zich van haar taken en begon de spelregels uit te leggen.

Hoewel hij in het vliegtuig doodsang­sten had uitgestaan, en zich in Parijs vooral erg eenzaam had gevoeld, was hij terug op school van de een op de andere dag een held. Voor de klas moest hij vertellen over de wereld. Hoe eindeloos groot de Eifeltoren was, hoe kolossaal de Arc de Triomph en hoe indrukwekkend het Mont Martre. Met allerlei folders en foto’s bewees hij zijn gelijk. De buitenlandse reis had hem een status gegeven. Een gevoel wat dan wel prettiger was als het vertrouwde pesten, maar waar hij toch wel aan moest wen­nen. Nog een hele tijd wantrouwde hij zijn klasgenoten en verdacht hen ervan dat ze hem elk moment massaal zouden be­springen, hem weer zouden slaan en schoppen en roepen; 'grapje, je denkt toch niet echt dat we je aardig vinden sukkel.' Dat alles bleef uit en ieder­een toonde welgemeende interesse in de nieuwbakken wereld­reizi­ger en zijn belevenissen. Net toen Joris begon te genie­ten van zijn popu­lariteit, leken zijn ouders het genoeg te vinden. Vader ging in op de aanbieding van een ‘niet te weigeren job’. De familie verhuisde naar het Zuiden van het land. Een vreemd dorp met onbekende straten rond het nieuwe huis met de doordringende geur van schoonmaakmiddelen. Opnieuw ging zijn moeder met hem mee, vreemde straten door, oude verhalen herhalend. Het zou allemaal wel meevallen en hij zou vast snel weer nieuwe vriendjes maken. Joris kwam op een andere school en was weer opnieuw het pispaaltje, alsof er niets gebeurd was. Wachten, alleen maar wachten.

Apathisch zat hij nog een hele tijd in het vuur te staren, met een filosofische discussie met zichzelf. Er overkwam hem teveel in een te korte tijd, meer dan hij kon verwerken. Joris was radeloos. Meer dan ooit zat hij in de knoop met zichzelf, hij vroeg zich af of hij zichzelf wel kon ver­trou­wen. Of al zijn zelfbedachte theorieën niet tegen hem gingen werken. Het werd tijd om eens een grote schoonmaak te houden in zijn verstofte bovenkamer. Voor het eerst bekroop hem het gevoel dat hij wat moest gaan doen, iets maken van zijn leven. Een cliché wat hij zijn hele leven verafschuwd had.

Met zijn ogen knipperend tegen de felle zon baande Joris zich een weg door de lege straten in zijn woonplaats. Het leek hem een labyrint, een puzzeltocht, een spelletje van levensbelang zonder te weten wat de spelregels waren. Was het een overwin­ning dat hij zich naar buiten had gebracht, of had hij nu definitief verloren van alles wat hij wilde? In elke meisjes­stem dacht hij zijn bijzondere bezoek te herkennen. Hij waande zich plotseling weer het bange kind, op zijn hoede voor een groep jongens die hem ongetwijfeld ergens stond op te wachten. Ze zouden roepen dat hij niets veranderd was, nog steeds de sukkel van toen. De boog was weer gespannen.

Het hoofd van de school, de spoetnik, was de enige die hem wat aandacht gaf. Met zijn klamme handen aaide hij in het voorbijgaan 'zijn krullenbol' zoals hij Joris noemde. Het was een rare man, zijn gedrag maar zeker ook zijn uiterlijk. Verkeerde bril, te rood hoofd maar vooral een foute pruik. Een haarstukje waarvan iedereen kon zien dat het niet bij hem hoorde. 'Kale knikker' stond er gekalkt op het schoolplein. Zijn collega's stonden er openlijk om te lachen en niemand nam de moeite om het te verwij­deren of de daders op te sporen. Er werd over hem gerod­deld, hij zou regelmatig naakt zwemmen in nabijgelegen beekje en ook in adamskostuum een bad nemen in een oude regenton die stond opge­steld tussen de school en de woning van de hoofd­meester. Op een middag na schooltijd, mocht Joris het hoofd nog even met iets helpen in de gymzaal. Of het de normaalste zaak van de wereld was kleedde de man zich uit, wrong zich in de ringen en maakte een vogelnestje. Al schommelend riep hij Joris om hem te slaan. Joris vroeg zich al af wat hij moest met het koord wat hij in zijn handen had gekregen. Met alle kracht die het tengere ventje bij zich droeg, sloeg hij de man wiens gillen nog lang nagalmden in het zaaltje. Joris zette het op een rennen. De man met de pruik noemde hem nooit meer 'zijn krullenbol'.

Hij had uren gelopen, rondjes misschien, vaag herkende hij straten en huizen. Terwijl het schemerde en zijn dranklust hem parten begon te spelen, stond hij stil voor een café. Verscholen achter een haag van eeuwenoude lindebomen die hun best deden het lokaal voor de buitenwereld te verbergen. Op het kleine terrasje zat een oude man die de strijd tegen de alcohol definitief had verloren. In zichzelf mompelend, met een hand stevig geklemd om een bijna lege fles wijn, bladerde hij driftig in een plaatselijk krantje alsof hij probeerde iets van zijn identiteit terug te vinden. In haperend neonlicht hing een naam aan de gevel; 'de lachende derde'. Zijn dorst won het van zijn angst. De deur kraakte alsof hij in geen jaren was geopend. Het bleek een smoeze­lig café waar een live bandje wat Zuid-Amerikaanse klanken produ­ceerde. Mannen van gevorderde leeftijd probeerde stom­dronken wat glans aan hun leven te geven. Voor de band een zanderige dansvloer waar een vrouw met in haar armen een slapend kind, eenzaam wat danspasjes maakte op een tango. Dromend van de bijbehorende passie en ondergaan­de zon.

'Voor een sombere bui moet je de tijd nemen' zei de barman wiens buik net onder zijn kin begon en vervolgens overging in vormen die niets met de mensheid te maken hebben. Boven een blouse waar slechts twee knoopjes het knoopsgat konden vin­den, blonk tussen weelderig borsthaar een gouden leeuw aan een dikke schakelketting. Hij lachte zijn gele tanden bloot en tapte voor Joris ongevraagd een biertje. ‘Tijd’ mompelde Joris binnensmonds om vervolgens haastig zijn dorst te lessen.

“Kan ik je ergens mee van dienst zijn?”. Ongemerkt was de vrouw naast Joris komen zitten om quasi verlegen, hem de schrik van zijn leven te bezorgen. In een flits trok zijn hele leven aan hem voorbij, alsof ze de dood zelf was. Koortsachtig bedacht hij of hij iets aan haar zou moeten herkennen. Waar kon ze hem in godsnaam mee van dienst zijn? Erger nog, had ze het wel echt gevraagd, of was het toch weer alleen een gedachte. Toen het kind hem vervolgens aansprak met ‘papa’ ging het licht uit bij Joris. Een groot zwart gat diende zich aan waar hij als geketend in een op hol geslagen achtbaan op af vloog. Pas toen hij zijn ogen stijf dicht kneep hield het café op met kantelen. De koperen reling die de bar een verblijf op een protserig jacht deed imiteren, bood net genoeg houvast om zijn lichaam in de plooi te houden. Heel langzaam liet hij weer wat licht door zijn wimpers sijpelen. Een nieuwe wereld was zijn leven binnen gedrongen. Niets zou ooit nog hetzelfde zijn. Alles wat geweest is, was niet meer in tijd te vatten. Het was geen tijd meer, slechts herinneringen. Tijd is er alleen voor de toekomst. Tijd om op te staan. Als in een nachtmerrie probeerde hij uit een boze droom te ontsnappen. Op het moment dat de vlijmscherpe zeis je hals raakt val je uit bed, net voor het monster je verslind word je wakker van een geluid wat er nooit was om alles tot een gedachte te reduceren. Hij vermande zich en probeerde ongeïnteresseerd haar kant op te kijken. Met een schok zag hij dat het toch een droom moest zijn. De vrouw had niets gemerkt van zijn korte maar hevige reis door niemandsland. Ze was anders dan alle andere vrouwen. Ze was niet van hier, ze raakte de grond niet, ze keek naar de sterren. ‘Dit is onmogelijk’ zei Joris. ‘Alleen het onmogelijke is interessant’ zei de vrouw terwijl ze haar armen gestrekt voor zich hield om de rug van haar handen te bekijken. Ze had lange puntige nagels die in een haal haar hele leven op zijn rug zouden kunnen schrijven. Joris voelde het bloed tussen zijn schouderbladen lopen. Hij wist dat er nu geen keuze meer zou zijn. In de rij staan om te wachten met niemand voor of achter hem. “Kom we gaan”, als in trance liep hij achter haar aan. Met het kleinst mogelijke bankbiljet kocht hij met een ‘zo is het goed’ gebaar zijn schuld af. Grijnzend en met een vette knipoog zwaaide de kastelein hen uit. Buiten, los van de schaduw van de lindeboom, beet het daglicht hem fel in de ogen maar de pijn viel in het niet bij zijn angst om wat komen zou.

Bijna had hij een vriendinnetje gehad. In het eerste jaar van het voorgezet onderwijs waren fuiven in de avonduren meer aan de orde als het veel noodzakelijker huiswerk. Elke dag hoorde hij spannende verhalen van klasgenootjes die fluisterend werden aangedikt en aan kracht wonnen bij hun reis over het schoolplein. Toen ook Joris werd uitgenodigd door een groep jongens uit klas 1b om vrijdag naar het kietje te komen, dacht hij even dat de bushalte met het bordje ‘geluk’ recht voor hem werd geplant. Als in een mooie droom, een variant die hem nooit was overkomen, fietste hij op de vrijdagavond, gebracht door de wind, naar de aangegeven locatie. Het beangstigende ‘om elf uur thuis anders zwaait er wat’ had hem alweer losgelaten. ‘Het Kietje’, was een oude schuur waar een boerenzoon een financieel slaatje probeerde uit te slaan. Groepen pubers konden het huren, de decoratie bestonden uit stapels kratten bier en posters van popgroepen die ooit de moeite waard moeten zijn geweest om gefotografeerd te worden. Uit een geluidsinstallatie klonk muziek van The Cats. De aanwezigen deden een poging om mee te zingen. Het halve jaar engelse les zorgde ervoor dat iedereen een eigen uitvoering had. Op de grond lagen matrassen en kussens die in een vorig leven kitscherige bankstellen moeten hebben opgesierd. Knipperend met zijn ogen zocht Joris, in het met weinig rood verlichte feesthok, naar iets van herkenning. De jongen die bij geschiedenis naast hem zat riep joviaal om plaats te nemen naast hem. Een groot groen kussen met gevlochten flosjes veranderde traag van vorm toen hij zich nestelde onder het licht van een TL die met rood crêpe papier was omwikkeld. ‘Veel leuke meiden hé!’ Zei zijn buurman. Joris voelde zijn wangen gloeien, met toegeknepen ogen zag hij links en rechts, jongens meisjes vasthouden. Hangend, zittend en liggend werd her en der onhandig gezoend. Soms werd er even gedronken, diep ademgehaald of alleen even geslikt om vervolgens, zonder een woord te wisselen, weer verder te gaan. Alsof aan het einde van de avond een trofee zou worden uitgereikt aan het stel wat het langst had kunnen zoenen. De jonge meisjes boden hun partners hun mond aan met een vanzelfsprekendheid die Joris het zweet in zijn nek deed druppelen. Dit waren dus de avonden, hier gebeurde het allemaal, hier werd het leven geleerd en je hoefde alleen maar te kijken, hier lagen kansen! Alles zou hier zomaar, uit het niets ten gunste van hem kunnen veranderen. Al zijn onzekerheden zouden hier met een klap kunnen worden weggevaagd. Het idee dat een meisje zijn lippen met haar tong zou beroeren, beklom als een koele lentebries zijn ruggengraat.

Hij kende Katrijn. Ze was niet alleen de zus van een landelijk bekende zanger, maar vooral de zus van de geliefde van zijn oom. Een dichter met wie Joris het om onduidelijke redenen goed mee kon vinden. “En bevalt het je hier een beetje?” Ze schoof tegen hem aan alsof ze een leven lang geliefden waren. Haar iele lijfje voelde als een warm bad, ze rook naar vers hooi en haar ogen gloeiden meer dan alle verlichting in het schuurtje. Ze moet aan zijn gezicht hebben kunnen zien, dat hij vanaf dat moment de rest van zijn leven, voorgoed, met haar had willen delen. Het was een meisje van de wereld, ze was de wereld zelf. Ze had humor en dronk bier. ‘Hartelijk gefeliters bier’ had ze vrolijk geroepen naar een jongen die op handen en voeten voorbij kwam en zich een weg zocht tussen de matrassen. De jongen had stoer gegrinnikt, die wist wat meisjes willen dacht Joris. De regie zou vanavond bij hemzelf moeten liggen, zoveel was duidelijk maar zij had de touwtjes muurvast in handen. Hoelang kon hij wachten? Met een heldere stem zong ze stukjes tekst mee van de Volendamse popgroep. Misschien probeerde ze hem zo wat duidelijk te maken dacht hij en deed krampachtig pogingen om stukjes engels te associëren met hun relatie. Haar klanken verlieten echter de ruimte net voordat Joris ze kon ontleden. Even ging ze verzitten, haar lange slanke benen spande de rode broek tot het uiterste. In een kleermakerszit vertelde ze over de bijzondere relatie van haar oudere zus en dat het zo grappig was dat ‘zij’ het nu ook zo goed samen konden vinden. ‘Ga door’, dacht Joris vertel over ons. Het woordje ‘samen’ herhaalde zich duizend keer in zijn hoofd. Terwijl hij met meer dan normale aandacht haar woorden rangschikte, stak in zijn hersenen langzaam een storm op. Er moest wat gebeuren, zijn spieren hadden zich gespannen, klaar om bij de juiste impuls van boven actie te ondernemen. Met een beweging zou hij een man kunnen worden. Omdat elke streling nieuw voor hem zou zijn, en mogelijk voor haar weinig verrassend, was er ook niets wat een mogelijke afgang voorspelde. Zijn grootste angst was haar te zoenen, of erger nog een arm om haar heen te slaan. Het niet te doen was zo mogelijk nog afschrikwekkender. Hij probeerde zich, diep ademhalend, te ontspannen en gaf zijn lichaam vrij baan. In een tempo waarmee de wind bergen verzet, bewoog hij zijn arm achter haar omhoog om zijn hand als fluweel op haar schouder te laten rusten. Als door de bliksem getroffen rukte ze zich los, alsof hij haar met een zware ketting aan zijn leven had verankerd. Ze keek hem aan alsof hij net had voorgesteld samen haar hele familie te gaan vermoorden. Het was kwart over elf.

‘Je zou het vrouwelijke intuïtie kunnen noemen, maar je kunt van geluk spreken dat ik nog een stuk heb gelezen in dat boekje van je’. Slenterend en schuilend in de schaduw van elk nieuwbouwwijkboompje zweeg hij. Nooit, nooit had hij zijn boeken moeten verlaten, wat had hij ooit willen vinden, een vrouw met een kind? Natuurlijk had Joris gedacht dat ze het meisje met de hoofdwond kon zijn, meer vrouwen kende hij niet, maar dan moesten er ongemerkt minstens tien jaar voorbij zijn gegaan. Als een doorsnee gezinnetje liepen ze zwijgzaam door de straten van Esch. Zij had opnieuw de leiding, linksaf, rechtsaf, resoluut marcheerde ze door. Dat hij haar volgde was wederom een onwaarschijnlijke vanzelfsprekendheid. Een compleet nieuwe woonwijk bevestigde een stuk verloren tijd. De horizon verschool zich achter tonnen nieuwbouw, waar burgerlijkheid het kader is. Grijze, fletse betonnen daken, geïmpregneerd hout als afscheiding van niets. Exotisch groen op Brabantse boerengrond, Japanse tuintjes gedrapeerd om een molentje in spierwit grind. Foute betonnen paaltjes markeren een tuinpad. Een wereld van wansmaak drong zich aan hem op.

Hij bedacht dat het slechter met hem ging dan ooit. Sinds geluk en verdriet een wat prominenter deel van zijn leven waren geworden, had hij ook de kunst van de bedachte gedachte gevonden. Sindsdien was nooit iets meer echt zuiver geweest. Krampachtig had hij al wekenlang getracht geluk te bedenken. Tevergeefs, als een idee-fixe bleef de zwartgalligheid zijn hoofd binnen stromen. Toen de verdringing van foute gedachten ook nog gepaard bleef gaan met een ondraaglijke hoofdpijn, moest de huisarts voor een oplossing. Dr.Bauerhoff bekeek Joris alsof die zo juist van een andere planeet was gearriveerd. Met toegeknepen varkensoogjes meende hij Joris’ hersenspinsels in één klap te doorgronden. Na wat vragen over zijn jeugd, relaties, vrouwen en zijn mogelijke geaardheid, was de medicijnman eruit. Voldaan vertelde hij dat zijn vrinden van de geestelijke zorg het eigenaardigheidje met wortel en al zouden verwijderen. Zo rigoureus baarde zelfs Joris zorgen. Tot nu toe was zijn leven niet echt de moeite waard geweest om te bewaren, maar een totale ‘delete’ was hem vooralsnog even wat teveel van het goede. Met de varkensoogjes nog op het netvlies sjokte Joris naar de uitgang, het hoofd diep gebogen alsof hij zich verbaasde over de aanwezigheid van zijn schoenen. Weer buiten kon een hevig claxonerende auto hem ternauwernood behoeden voor een langdurig bezoek aan het ziekenhuis. Met een sprong ontweek hij het ijzeren gevaarte dat hem uit het niets van alles had kunnen verlossen. De bestuurder van de auto keek woedend in de richting van Joris, onderwijl met zijn wijsvinger priemend naar het midden van zijn voorhoofd wijzend. Slingerend maakte de auto zich met hoge snelheid uit de voeten.

De RIAGG zou het klusje wel even klaren. Een maatschappelijk werker, ‘hoi zeg maar Erik hoor’, stond te popelen om Joris van zijn ‘vervelende probleempje’ af te helpen. Het prototype hulpverlener had zich aangediend. Geitenwollen sokken met niet eens bijpassende sandalen, corduroy broek, groenzwart geblokt houthakkershemd met naar binnen opgerolde mouwen. Het hoofd bleek al evenmin af te wijken van de zo ingeburgerde vooroordelen over de amateur zielknijpers. Plukjes grijs haar probeerden gezamenlijk een soort van baardje te vormen. De eigenaar was blijkbaar krampachtig op zoek naar de uitstraling; ‘het uiterlijk is niet belangrijk’. Het maakte slechts het tegenovergestelde pijnlijk duidelijk. Lange slierten waren bovenop, als een oud geëmailleerd deksel, nauwkeurig over de kalende schedel gelegd. Joris bedacht hoe treurig het moest zijn om ’s morgens eenzaam voor je spiegel te staan en te moeten slagen in het ‘iets van je jeugd behouden’. Om elk haartje dat nog wat van lengte, kracht en kleur had bewaard met uiterste precisie te kiezen als uitverkorenen, om te verbergen wat lotgenoten al jaren geleden ontvlucht zijn. Het is het verbergen van iets wat er allang niet meer is. De omgekeerde wereld, nu denkt iedereen; ‘ach gut, die man is kaal en heeft daar moeite mee’. Joris woelde even met zijn vingers door zijn stevige haardos en voelde zich al meteen een stuk beter. Door een onooglijk brilletje met een fragiel gouden montuurtje, wat ook al zijn kippigheid moest verbergen, zat de man naar hem te loeren. Al zijn vooroordelen voor dit soort mensen, trok aan hem voorbij. ‘Kijk hem daar nou eens zitten’, dacht Joris. Wat weet hij nou van de wereld, het mannetje heeft niet eens een idee over zijn eigen gedachten. Alles is hem aangeluld en voorgehouden als een wereld van spiegels. Reizen, ontmoetingen met Afrikaanse stamhoofden, spirituele uitwisselingen met Aboriginals. Kibboets ervaringen waarin mondiale groepsex en een overdosis aan euforie zijn verlangens totaal vermorzeld moeten hebben. Teveel gehad van niets om ooit nog te kunnen genieten van iets. Wat rest is sandalen en de tomeloze drang om iemands ziel als een spons uit te knijpen. Dat soort volk zou nu de kracht moeten hebben om Joris wel even op het rechte pad zetten. De man zit nog steeds naar hem te loeren. ‘Wat denkt hij wel’, dacht Joris, dat ik nu denk dat hij me wel door heeft? Dat hij me kan doorgronden met zijn röntgenbrilletje? Ongelooflijk. “Ik weet wat je denkt”, zei de man ineens. Alsof de man met een groot cadeau voor hem stond, keek hij triomfantelijk naar Joris. Die gaf geen krimp. ‘Ik hoef geen verrassingen, van niemand’, dacht Joris, verwachtingen en verrassingen zijn dooddoeners. Pas na je verjaardag weet je wat je echt graag had willen hebben. Niet nu, niets nu. Teleurgesteld over zijn blijkbaar niet erg succesvolle openingszin, keek de man wat beteuterd om zich heen. Joris kon een glimlach niet onderdrukken, 1-0 voor mij dacht hij en voelde zijn gemoedsrust al wat aansterken. “Voel je je ongemakkelijk hier?” ‘O, gaan we het over die boeg gooien’, zei Joris. ‘Ga jij je problemen bij mij neer leggen dan schiet het lekker op. Ik zie toch dat je als een zak aardappelen je eigen schade zit op te nemen. Laat mij daar buiten wil je?’ Joris schrok van zijn woede-uitbarsting. Natuurlijk had de man hem vanaf het eerste moment geïrriteerd, met zijn gedrag, maar waarschijnlijk nog meer met zijn manier van kijken. Die blik van ‘met mij maar gaat alles veel beter dan bij jou want ik heb alles onder controle’ van de man van de wereld, stond voor Joris haaks op elke mogelijke vorm van genezing. Bij dezelfde gedachte ging hem wat dagen. “Zou dit gepland kunnen zijn’, dacht Joris ineens, hem haarscherp opnemend waar de man zichtbaar nerveus van werd. Zou hij me uit de tent willen lokken met dit achterlijke gedrag. Zou hij vanmorgen voor zijn spiegel hebben gedacht; ‘als ik die sliertjes haar zó leg, dan heb ik hem?’ Even was Joris weer terug bij de depressieve gedachten van voor het bezoek. De man rook zijn kans bij een moment van onzekerheid bij Joris en begon hem met een spervuur van vragen te bestoken. Er moest blijkbaar hoe dan ook iemand in zijn leven zijn geweest in zijn die dit veroorzaakt had. Als een Martin Gaus commandeerde hij Joris. “Denk na, zoek het, graaf in jezelf, haal je gisteren boven. Het is van het hoogste belang in dit proces. Wie was belangrijk, of nee, wie was het allerbelangrijkste in je leven?” Zo driftig en bezeten als de namaakhondenmenner uit het niets op hem in praatte, zo hulpeloos en weerloos voelde Joris zich. Als een hond zich afvragend of hij hem moest aanvliegen en verscheuren of braaf zijn.

Zelfs vage kennissen wilde hem altijd al doorgronden. Alsof hij wat mysterieus met hem meedroeg. Alsof hij opzichtig wat verborg wat van belang was voor de wereld. Zoals sommige vrouwen met grote letters ‘seks’ op hun voorhoofd hebben staan, zo had hij een vraagteken op zijn voorhoofd en een rugzak met in grote letters ‘geheim’ erop. Mensen, vrouwen meestal, begonnen al vrij snel in het gesprek over hun interesse in zijn innerlijk. Ze wilde de échte Joris leren kennen. Hij was dus niets, een verpakking om een gedachte die hij zelf niet kende. Een poreus lekkend omhulsel wat af en toe een kreet liet doorsijpelen voor een goede of slechte keuze. Samen sleepten ze zich over het levenspad. Afzonderlijk met nu en dan een bedachte gedachte delend. ‘Als er keuzes zijn én gemaakt kunnen worden, wat is dan mijn rol daarin’, dacht Joris.

Zijn grootvader keek hem zo indringend aan dat een gesprek onmogelijk leek. Het feit dat hij al jaren dood was maakte een goed conversatie er ook niet makkelijker op. Vanuit zijn grote zwarte passe-partout keek hij altijd precies naar de stoel waar Joris zijn boeken verslond. Streng en met een norse blik die geen tegenspraak leek te dulden. Toch hield Joris de onbedwingbare behoefte om zaken in zijn leven te bespreken met zijn opa. Soms riep hij hem een zin toe, maar meestal schreef hij hem brieven, vele pagina’s brieven. Van een oude boekenkist had Joris een privé brievenbus gemaakt waar hij trouw zijn schrijverij in postte. Zijn leefkamer was een lawine van papier, overal lagen en stonden boeken. Op de tafel, tegen de muren en in stapels op de vloer. Losse vellen papier, balpennen in verschillende kleuren en vormen en een opgedroogd inktpotje dat ooit aan zijn grootmoeder toebehoorde. Joris stelde zich voor hoe haar grootmoeder lange brieven schreef aan haar geliefde. Het fijne snaveltje van de kroontjespen in de zwarte inkt dopend en in haar kleine lopende schrift de witte bladzijden vult en haar minnaar verborgen dingen vertelt. Verborgen. Dezelfde zaken die hij zijn grootmoeder toedichtte deelde hij met zijn opa, verborgen dingen. Zaken die teveel waren om te bewaren maar veel te weinig om met wie dan ook te delen. Zijn stiekeme angst voor de dood was zo’n verstopte gedachte. Bij elk pijntje keek de dood om de hoek. Een medische encyclopedie was zijn doodsteek geweest. Bij elk hoestje wist hij welke dodelijke ziekte op de loer lag. Bij mogelijke twijfel werd nog wat royaal voorradige lectuur opengeslagen. Sinds enkele weken had Joris een ernstige vorm van darmkanker. Een licht bebloede ontlasting gaf hem de zekerheid. De bijzin dat het om een aambei zou kunnen gaan had hij niet serieus kunnen nemen. In uitvoerige brieven schreef hij het ontstaan, het verloop en vooral de afloop. Bloederig, pijnlijk en creperend. Het onmenselijke langzaam wegrotten werd tot in details beschreven. Over het grote slot, de definitieve afloop, de dood, moest Joris nog even het antwoord schuldig blijven.

‘U weet inmiddels dat ik niet geloof in reïncarnatie, de kans dat we elkaar elders treffen acht ik dan ook erg klein. Gezien mijn situatie kan elke dag en dus elke brief de laatste zijn. U kent de dood als het leven en mist dus niets in mijn schrijven.

Uw toegenegen,

Joris.